Historie

Geschiedenis van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942 – 1945

1946 tot en met 1950

De eerste prijsuitreikingen

Het duurde nog vier jaar voordat de op 18 januari 1946 opgerichte Stichting Kunstenaarsverzet 1942 – 1945 voor het eerst prijzen kon gaan uitloven voor beeldende kunst en literatuur, zoals dat in de oprichtingsstatuten staat beschreven. De oprichters, Jacobus (Jaap) Bot, Leendert Pieter Johan (Leo) Braat, Leendert Johan Anne (Leen) van Dijk, Helena Suzanna (Suzy) van Hall, Roelof Ferdinand (Roel) van Heusden en Jacoba Johanna (Koos) Schregardus, waren alle nauw betrokken bij het kunstenaarsverzet in de Tweede Wereldoorlog. Zij brachten het geld dat na de oorlog als batig saldo van de door Gerrit Jan van der Veen geleide verzetsorganisatie overbleef, onder in de stichting. Gerrit Jan van der Veen en Willem Arondeus waren de drijvende krachten achter de illegale Persoonsbewijzencentrale. Beiden werden in de oorlog door de Duitsers gefusilleerd. Met het uitreiken van prijzen wilde men vooral de kunstenaars die in het verzet waren omgekomen herdenken en eren, in het bijzonder Van der Veen en Arondeus. Bovendien wilde men met de prijzen de kunsten in het naoorlogse Nederland bevorderen. Geheel vlekkeloos verliep de periode van oprichting tot en met de eerste uitreikingen niet. Problemen op persoonlijk, interpersoonlijk en financieel gebied veroorzaakten keer op keer uitstel.

De schrijver en beeldhouwer Leo Braat was niet in staat zijn verplichtingen als voorzitter na te komen in verband met ziekte. Dat was een van de redenen die hij opgaf in augustus van het oprichtingsjaar toen hij zijn aftreden aan de overige bestuursleden in een brief aankondigde. Een andere reden was zijn onvrede met de gang van zaken in Nederland na de oorlog.

Hij schreef verbitterd:

Waarde medebestuurder,

‘Hierbij deel ik mijn besluit mee af te treden, met ingang van heden, als voorzitter en lid der Stichting Kunstenaarsverzet 1942 – 1945. Mijn gezondheidstoestand is hier ook debet aan, al zou ik ook thans wel aan een beraadslaging deel kunnen nemen, zij het liggend. Mijn voornaamste beweegreden is, dat ik op geen enkele wijze wens mede te werken aan het toekennen van prijzen aan kunstenaars, dit van geld voor de herkomst waarvan wij eerbied dienen te hebben, waar de maatschappij waarin wij leven het duizendmaal noodzakelijker maakt er stenguns voor te kopen: zijnde de enige argumenten waarnaar de huidige heersers kunnen luisteren. Wellicht verschillen jullie van mening met mij, vinden jullie het zeer belangrijk wanneer een boek of een schildering met duizend gulden gepremieerd wordt: ik vind het geld wegsmijten, en hoop in mijn hart, dat jullie het bij nader inzien met mij eens zullen zijn…Wanneer De Waarheid nogmaals zijn “schoonschip-actie” zou willen beginnen, dan zouden onze tienduizenden een klein steentje tot deze gigantische arbeid kunnen bijdragen…Vriendelijk verzoek: deze aangelegenheid verder buiten mij om te behandelen.

Met beste groeten, Leo Braat

De leden van het kunstenaarsverzet waren mensen die samen, ieder vanuit hun eigen idealen, ideologieën en politieke partijen, hadden gestreden tegen de bezetters met in hun achterhoofd de mogelijke verwezenlijking van een ander soort maatschappij dan van voor de oorlog. Men wilde vernieuwing. Men wilde vrijheid. De hokjesgeest van de Nederlander moest worden verruild voor ruimere denkbeelden en opvattingen: nieuwe kunst en nieuwe politiek. Het was toch immers onvoorstelbaar dat de Tweede Wereldoorlog geen verandering in het denken, doen en laten van de mensen zou teweegbrengen. De teleurstelling was groot toen bleek dat al vrij snel na de bevrijding alles bij het oude bleef. Ton Anbeek beschrijft de situatie in zijn boek na de oorlog [1]

Kort samengevat: op de dolle bevrijdingsmaanden volgt een snelle ontnuchtering; er moet hard gewerkt worden; geborgenheid vindt men binnen de oude vertrouwde zekerheid van de eigen zuil. De drang tot radicale vernieuwing vervluchtigt snel – een vernieuwing die, op dat punt hameren de geschiedschrijvers, toch maar door een kleine groep is geproclameerd. Tot die kleine groep behoorden veel intellectuelen en literatoren.’ (p. 9)

De uitgeefster Koos Schregardus (Uitgeverij De Spieghel) schreef de gedesillusioneerde Braat op 2 september terug dat ze zijn argumenten niet steekhoudend vond. Ze wees hem op de verplichtingen die hij als overlevende verzetsstrijder had ten opzichte van de doden en ze vond dat hij juist als hij het niet met de regering eens was, verbonden moest blijven aan de stichting om zo in ieder geval invloed uit te kunnen oefenen.

Braat bleef aan, maar op 24 april 1949 wilde hij opnieuw een punt zetten achter zijn bestuurslidmaatschap van de stichting. Dit keer vond hij echt dat hij plaats moest maken voor een energieke en gezonde voorzitter en sowieso vond hij het hoog tijd worden voor een actief bestuur. Opnieuw wist men hem op de voorzittersplaats te houden en Roel van Heusden bleef, naast zijn functie als secretaris, de functie van waarnemend voorzitter vervullen. Tenslotte zou Braat pas in 1954 werkelijk aftreden.

Op 14 januari 1950 was het uiteindelijk zover dat de prijsuitreiking van het jaar 1949 kon plaatsvinden. Er werden twee prijzen van elk duizend gulden uitgekeerd. Een aan de beeldend kunstenaar Aad de Haas en een aan de schrijver Maurits Dekker. Maar wat een memorabele plechtigheid moest worden, eindigde in een teleurstellende ervaring voor de bestuursleden van de stichting. Vooral voor Van Heusden die heel wat tijd en energie in de voorbereiding had gestoken, werd het een vervelende gebeurtenis. Veel zorgvuldig geselecteerde genodigden en ook Braat kwamen niet opdagen op die zaterdagmiddag om half vijf in het Gemeentemuseum in Amsterdam waar de plechtigheid plaatsvond. Verder liet het bestuurlid de architect Jaap Bot verstek gaan. De bestuursleden van de stichting herinneren zich later dat jaar bij de voorbereidingen van de volgende prijsuitreiking hoe ‘ieder zich op zes stoelen kon uitstrekken’.

In de notulen van de bestuursvergadering die een week na de uitreiking werd gehouden, staat dat Koos de geringe opkomst wijt aan ‘vermoeidheidsfactoren’.

(…): na de oorlog is er een regen van prijzen neergedaald en dat in dit land waar niet – zoals bijvoorbeeld in Frankrijk - een in ere gehouden traditie op dit gebied heerst, maar waar alleen de enveloppe met geld telt. Wanneer er in Holland een prijs wil zijn die een eervolle traditie instelt, dan is daarvoor de Stichting Kunstenaarsverzet het meest geijkt, maar dan moet het Bestuur kunnen waarborgen dat de Jury’s verantwoord werken.’

Hoewel ze met haar opmerking waarschijnlijk de pijn wilde verzachten, legde ze daarmee toch een vinger op de zere plek: het bestuur heeft missers gemaakt en de jury’s hebben onverantwoord gewerkt. Tijdens de vergadering kwam men al snel tot de conclusie dat de statuten gewijzigd moesten worden, zodat de kans op herhaling van het fiasco voorkomen zou worden.

Prijs voor de beeldende kunst: wandschilderkunst van Aad de Haas

Aan de kwaliteit van de juryleden heeft het zeker niet gelegen dat de gebeurtenis op een echec uitliep. Voor de beeldende kunst bestond de jury uit de beeldhouwer Mari Andriessen, prof. A. M. Hammacher, waarnemend directeur van het Rijksmuseum Kröller-Müller in Otterlo, de architect G. Rietveld, beeldend kunstenaar Charles Roelofsz en jhr. W.J.H.B. Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam. Sandberg had graag gezien dat Roelofsz de beeldende kunstprijs van de stichting zou hebben gekregen. Hij vond dat deze kunstenaar helemaal voldeed aan de eisen die de stichting stelde aan de persoonlijkheid van de kunstenaar die gelauwerd werd. Van Heusden was het met hem eens maar dacht juist dat ‘zijn meermalen gedemonstreerde karaktervastheid er toe[zou] bijdragen het gezag van de jury nog te vergroten.’

De jury kon zich al snel en unaniem vinden in het toekennen van de prijs aan Aad de Haas voor zijn wandschilderkunst. Een kunstvorm waarmee men Willem Arondeus eer wilde betonen. In het rapport van de jury dat voor de pers bestemd was, werd de keuze voor De Haas gemotiveerd.  Het rapport werd door Roelofsz heet van de naald na de jurering opgesteld, zo schreef hij in zijn zwierige handschrift aan A.M.G. van Vriesland – Baan, de vrouw van Victor van Vriesland die een korte periode wat secretaressewerk uit handen van Van Heusden nam.

Uit de tekst van het rapport blijkt waaraan een kunstenaar volgens de juryleden moest voldoen om in aanmerking te komen voor een prijs van de stichting. Niet alleen op kunstzinnig gebied moest de kunstenaar opvallen, ook zijn houding ten opzichte van de maatschappij en de rol die hij daarin speelde  telden mee:

‘In het werk van Aad de Haas is de geest van het verzet in sterke mate aanwezig. Er spreekt een oprechtheid van de non-conformist uit. Men kan in zijn kerkschilderingen die innigheid bespeuren, die zich op de zaak zelve, op de devotie richt.