Verzetsprijs 1987: dr. Theun de Vries

In 1987 werd door de Stichting Kunstenaarsverzet 1942 - 1945 voor het eerst na 23 jaar weer een prijs toegekend. De prijs heet vanaf 1987 de Verzetsprijs en wordt uitgereikt aan dr. Theun de Vries.

Van 1949 tot en met 1964 werden prijzen voor literatuur, beeldende kunst en muziek gegeven. In de jaren zestig kreeg de term ‘verzet’ echter een andere betekenis dan in de Tweede Wereldoorlog en nog veel jaren daarna. In de Verantwoording van de keuze van dr. Theun de Vries als winnaar van de Verzetsprijs 1987 legt Hella Haasse uit op welke wijze de term opnieuw inhoud krijgt en het voortbestaan van de prijs gerechtvaardigd wordt.

Hieronder vindt u de tekst van Hella Haasse en het dankwoord van dr. Theun de Vries bij de aanvaarding van de Verzetsprijs 1987. Beide teksten zijn te vinden in Programma en teksten, uitgesproken bij de uitreiking van de Verzetsprijs 1987 op maandag 4 mei 1987 in De Nieuwe Kerk te Amsterdam, Amsterdam, 1987.

In dit boekje zijn verder opgenomen: het openingswoord door prof. dr. Etty Mulder;

het gedicht Vrede van Leo Vroman en een bijdrage van Jan Blokker: Het heimwee, de herinnering en de vergeetachtigheid.

 

Verantwoording van de keuze van dr. Theun de Vries als winnaar van de Verzetsprijs 1987

Het zou gelijk staan met water naar de zee dragen, uilen naar Athene brengen, om uit te weiden over de omvang, de zorgvuldige vormgeving in taal, de veelzijdigheid en de maatschappelijke betrokkenheid van het oeuvre van Theun de Vries. Bij een letterkundige die de P.C. Hooftprijs ontving, vormt de litteraire betekenis van het werk geen discussiepunt meer; van de auteur, aan wie de Henriëtte Roland Holst-prijs werd toegekend, wordt het engagement niet in twijfel getrokken; de schrijver die een eredoctoraat in ontvangst mocht nemen aan de Rijksuniversiteit Groningen, kan er zeker van zijn dat zijn benadering van geschiedenis en wijsbegeerte ook in wetenschappelijke kringen grote waardering geniet. Men kan slechts in herhaling vervallen van wat bij die eerdere belangrijke bekroningen en eerbewijzen onder woorden is gebracht, indien men wil ingaan op de hoogtepunten in het in de loop van een halve eeuw gepubliceerde verhalende proza van Theun de Vries, bijvoorbeeld de romans Rembrandt, Stiefmoeder aarde, Sla de wolven, herder!, De fuga van de tijd, Februari, Het motet voor de Kardinaal, Moergrobben of Het raadselrijk, en zijn vele novellen en verhalen. Om naar behoren aandacht te kunnen besteden aan zijn doorwrochte essayistische werk, met name aan wat hij over Spinoza heeft geschreven, een aan zijn monumentale studie Ketters, Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht, heeft men een ander medium nodig dan een gelegenheidstoespraak. Ook kan men elkaar maar wijzen op de interessante ontwikkeling naar beknoptere en meer geconcentreerde vormen in zijn poëzie, die een - soms jarenlang verborgen maar steeds onder de oppervlakte werkzame - constante is van zijn creativiteit. Evenmin is het mogelijk anders dan terloops melding te maken van zijn veertien boeiende luisterspelen.

Lyrisch, episch, beschouwend, dramatisch-beeldend: dat al die facetten aan bod komen in het oeuvre van een schrijver, is op zichzelf al een niet alledaags gegeven. Even uitzonderlijk zijn de eruditie, het niveau van de voorbereidende documentatie, en vooral de belangstelling voor problemen, persoonlijkheden, landschappen en tijdperken, die de grenzen van het ‘ik’, de eigen naaste omgeving en de eigen tijd van leven te buiten gaan. Daaraan ligt niet de behoefte ten grondslag te vluchten uit het heden, het nabije, het intieme. Integendeel, voor Theun de Vries is realiteit een begrip dat veel meer tijd en ruimte omvat dan het actuele nu en hier. Om iets wezenlijks van zichzelf te kunnen uitdrukken is het voor hem noodzaak zich te verdiepen in figuren, in wie hij de belichaming ziet van denkbeelden die zijn bestaan inhoud geven, of met wie hij als het ware een dialoog kan aangaan, in debat kan treden. Om te weten wat begrippen als vrijheid, verzet, redelijkheid, gerechtigheid, voor Theun de Vries betekenen, moet men de gestalten van kunstenaars en denkers die hem tot verbeeldingen of beschouwingen hebben geïnspireerd de revue laten passeren: een even illustere als gevarieerde stoet: Spinoza, Dante, Bach, Rembrandt, Vincent van Gogh, Oldenbarneveldt, Shakespeare, Blake, Jan Luyken, Brederode, Huygens, Marx, Louise Michel, en tijdgenoten die hij meesters en vrienden heeft genoemd, zoals bij voorbeeld Vestdijk en Nijhoff.

Er is in het werk van Theun de Vries duidelijk sprake van een preoccupatie met de spanning tussen het scheppende vermogen, de vrije geest, aan de ene kant, en anderzijds de eisen die een collectief, de gemeenschap op machthebbers, aan de enkeling stellen. Het lijkt alsof er geen oplossing bestaan kan, geen verzoening van tegenstrijdigheden mogelijk is, tenzij in de regionen van het muzische of de muziek.

De prijs die nu in de nacht van vier op vijf mei 1987 aan Theun de Vries wordt uitgereikt, is veertig jaar geleden ingesteld met het doel onder kunstenaars de geest van waakzaamheid en weerbaarheid levend te houden, die Gerrit Jan van der Veen en zijn vrienden bezielde in de jaren 1940 - 1945: verzet tegen de bezettende macht als exponent van een geestesgesteldheid die de dood van alle cultuur betekent. Aanvankelijk kon, nog zonder angst voor simplificatie of misverstanden, het woord ‘verzet’ in de naam Kunstenaarsverzet gedefinieerd worden als: verzet tegen fascisme in de vorm die dat in Hitlers Duitsland voor allen zichtbaar had aangenomen. Maar in de loop van de jaren na de oorlog is men er zich van bewust geworden, hoezeer als gevolg van complexe verschuivingen en processen van politieke ontwikkeling, met begeleidende mentaliteitsveranderingen, de definitie van het begrip verzet, en van de soort van tyrannie waartegen juist het verzet van de kunstenaar gericht is, niet meer - of alleen wanneer de dubbelzinnigheid niet geschuwd wordt - samenvalt met de definitie die veertig jaar geleden voor zichzelf sprak.

Hoe een formule te bedenken die de tand des tijds trotseren en het voortbestaan van een prijs als deze rechtvaardigen kan? Hoe de aard van de te onderscheiden verzetshouding te definiëren, opdat die onderscheiding zinvol kan zijn voor nieuwe generaties van kunstenaars?

Van kunstenaars mag men verwachten, dat zij ‘neen’ zeggen tegen al wat het wezen van de kunst aantast. Wat kunst nu juist kunst doet zijn, is: haar vermogen om met geen andere middelen dan die van de kunstvorm in kwestie een kwaliteit waarneembaar te maken, die een - vaak als schok ervaren - ontwikkeling in het bewustzijn teweegbrengt. Kunst is verzet tegen verstarring. Verstarring leidt tot de dood.

Bereidheid tot dat innerlijk in beweging blijven kan men een wezenlijk aspect noemen van het kunstenaarschap van Theun de Vries. Uit zijn oeuvre blijkt, hoezeer in toenemende mate de problematiek van de ‘ketterse’ gezindheid, dat wil zeggen: van de uiteindelijke verantwoordelijkheid jegens het eigen geweten, en de creatieve norm hem tot onderzoek en verbeelding drijft. Heel zijn werk getuigt van het verzet van de kunstenaar-in-hem tegen de dwang waaraan de creatieve enkeling, de individuele kritische geest, blootstaat in het krachtveld van dogma’s, ideologieën, geweld, intolerantie, wildgroei van techniek en commercie.

Om zijn inzet voor wat hij zelf heeft omschreven als ‘de strijd van de kunstenaar om zelfstandigheid en vrijheid’, wil de Stichting Kunstenaarsverzet 1942 - 1945 THEUN DE VRIES eren met de Verzetsprijs 1987.

Hella S. Haasse, in: Programma en teksten, uitgesproken bij de uitreiking van de Verzetsprijs 1987 op maandag 4 mei 1987 in De Nieuwe Kerk te Amsterdam, Amsterdam, 1987

Dankwoord van Theun de Vries bij de aanvaarding van de Verzetsprijs 1987

Een levenshouding bekroond

Mijne toehoorders,

wie zoals ik op hoge leeftijd nog wordt bekroond of beter gekroond met een prijs als die van de Stichting Kunstenaarsverzet, mag dat beschouwen als een glimlach van zijn goede genius. Men vergeve mij het mythologische beeld maar het leek vrijwel onvermijdelijk ten overstaan van die indrukwekkende eerbewijs. Indrukwekkend te meer, omdat het mij wordt uitgereikt in deze historische omgeving, op deze historische datum, bij monde van hoog gewaardeerde en sympathieke collega’s: prof. Etty Mulder die mij namens het Kunstenaarsverzet als eerste de prijs in zijn nieuwe vormgeving - mag ik wel zeggen - ter hand stelde; Hella Haasse die in een wederom weldoordacht en doorwrocht betoog en met de stem van de vriendschap mij doopceel lichtte, en Jan Blokker die bekwaam als hij is, de filosofie achter het begrip verzet heeft ontvouwd. Ik dank hen allen voor hun waardevolle bijdrage tot dit nachtelijk feest, want voor mij is het immers feest, al behoren eigenlijk op dit uur kinderen en oude mensen in bed te liggen.

Ik mag hier wel een bekentenis afleggen, te weten deze dat de Verzetsprijs die mij is toegekend balsem betekent voor veel voormalig verdriet. Het bericht van de toekenning heeft een golf van sympathie uitgelokt, waarin ik mij koester als een oude poes in de zon. Dat de prijs komt van het vroegere Kunstenaarsverzet, in nieuwe gedaante verrezen, schept een gevoelssfeer, waarin het ook duidelijk wordt wat de nawerking van de tweede wereldoorlog nog steeds voor geweldige macht bezit.

Wat mij persoonlijk betreft: het is zoet in termen van lof en waardering te worden toegesproken. In de jaren die achter ons liggen is door allerlei lieden en op allerlei manieren ook heel anders over mij geoordeeld. Er is mij grondig aan het verstand gebracht wat er allemaal mis is met mijn persoon en daarmee met mijn werk. De bok Azazel kon aldus bij herhaling teruggejaagd worden in de woestijn.

Mijne toehoorders - ik denk dat ik zelf het allerbest weet wat er aan mij mankeert en waar ik ben tekort geschoten, of nog tekort schiet. Wie na zoveel jaren terugkijkt op zijn herinneringen, kijkt ook terug op schuld.

Ik doel hier uiteraard op het schuldgevoel, dat allen kennen die de verschrikking van oorlog, vervolging en vernietiging hebben overleefd. Ik sta daar niet alleen in. De steeds terugkerende gewetensvraag: Waarom ik wel, waarom zoveel anderen, bekenden en onbekenden, niet? behoort ook tot de stille maar vóórtwerkende elementen van mijn schrijverschap.

Wij hebben als mens, zo komt het me voor, niet alleen een schuldgevoel jegens de doden, de gevallenen en de vermoorden. Er is, bij mij althans, ook het besef van een tekort schieten ten opzichte van de levenden - de mensen van mijn tijd, mijn wereld. Het menselijk tekort begint al in de persoonlijke sfeer, bij de naasten, de geliefden die men bewust of onbewust onrecht heeft gedaan.

Maar er is ook een menselijk tekort tegenover diegenen vandaag, die nog altijd lijden wat wij in de fascistische bezettingstijd hebben geleden: de gevangenen, de verdwenenen, de hongerenden. Er is schuldgevoel jegens hen die niet in vrede op hun eigen grond mogen leven, jegens hen die lijden aan ongeneeslijke ziekten, jegens de stervende kinderen van de Derde Wereld.

Houdt u mij niet voor pathetisch als ik zeg dat hun lot mij kwelt. Ik zal dan ook nooit, als de reizende magiër in het wit, verzoening preken ten overstaan van schreeuwend onrecht, maar mijn hart blijft verpand aan de onverflauwde opstand tegen het boze.

Nu moet ik hieraan onmiddellijk toevoegen dat ik niet dag en nacht loop of lig te denken aan hen die lijden. Ik loop ook vaak genoeg om dat lijden heen. Want niemand kan aanhoudend verontwaardigd, gekrenkt of rebels zijn zonder daarmee de efficiëntie van het eigen bestaan (zoals ik het nu maar noemen zal) te schaden. En hier kom ik op het schrijverschap. Ik denk dat een schrijver, een kunstenaar in ‘t algemeen evenzeer lijdt aan al het verdriet dat hij om zich opmerkt als aan zijn gevoel van schuld en machteloosheid - maar dat juist diezelfde machteloosheid hem drijft tot het stellen van een daad. Het kunstwerk is het stellen van een daad, een bijzondere vorm van opstandigheid en gramschap te kanaliseren, om het besef van schuld en onmacht zelf te overwinnen.

En hier ben ik dan beland, ten dele aanknopend bij het betoog van Jan Blokker, bij de zin van het schrijverschap. Meer dan één vriend heeft mij in de loop der jaren verweten dat ik te veel bedoeling in mijn werk heb gelegd. Anderen hebben mij juist voorgehouden dat ik, bij voorbeeld in mijn kunstenaarsromans, te weinig bedoeling heb gedemonstreerd - dat ik pas echt goed ben als schrijver, wanneer ik op de radicale toer ga. Mijne toehoorders, wat de schrijver schrijft komt uit zijn intiemste ervaring en niet uit zijn bedoelingen. En ervaring is wat het hart heeft bewogen en tegelijk door het verstand is geopenbaard. Ouderwetse begrippen, waarschijnlijk nog wel afkomstig uit het morele erfgoed van de oude Dopers, dat in mijn genen is overgegaan. Maar ze passen, denk ik, in het kader van een verzetsoverdenking, de motivering daarvan. Welnu, ik ben er mij van bewust dat het aangeraakte geweten, schuldgevoel zoals ik het daarstraks heb genoemd, en kritisch kunstenaarschap elkaar in mijn werk hebben gevonden en gekruist. Ik denk dat ik in al mijn boeken, in welke constellatie van personen en gebeurtenissen ook, uiteindelijk mijn keuze voor het vrije, onbedreigde leven heb beschreven - of het schouwtoneel in het oude Tweestromenland, in de Friese veenderijen van de vorige eeuw, in het Amsterdam van de Februaristaking 1941 of in het Parijs van Lodewijk XIV is gelegen. De schrijver richt zich op mensen, medemensen; zijn ambacht is een sociaal handelen; zijn liefde omvat de levenden.

Alle levenden? zo zult u vragen. En dan antwoord ik op slag: O nee. Ik heb mijn voorkeuren, maar ook mijn tegenzin, mes haines zoals Zola zou zeggen, mijn onverzoenlijkheden. Ik verfoei wapenhandelaars, milieuverpesters en dierenbeulen. Ik haat vooral alle fundamentalisme, of het uit Rome of Teheran komt. Ik haat de verdrukkers in oost en west en de predikers van de nucleaire afschrikking. En ik weiger per se vrijheidshelden te zien in lieden die medemensen kidnappen en gijzelen, die bombrieven versturen of geloven dat de moord op een politieman het mensengeluk dichterbij brengt. Zeker, de vrijheid komt uit de loop van een geweer, maar er komt vandaag minstens zoveel slavernij uit. Wacht maar, roepen ondertussen de gangmakers van het computer-tijdperk: wij staan aan de vooravond van een technische revolutie die alle problemen uiteindelijk zal oplossen. Hoorders, ik wou dat het waar was; maar ik vrees dat deze omwenteling net als de industriële van anderhalve eeuw geleden een valse revolutie is, die ons steeds verder zal verwijderen van ons enige aanvaardbare doel -: de rationele, de humane samenleving...

Mijne toehoorders! Ik ben aan het einde, misschien een wat wonderlijk einde, van mijn dankwoord gekomen. Ik zal u niet meer bezig houden met een uiteenzetting over mijn opinies. Ik moest er alleen in ‘t kort over spreken, juist nu de dageraad van de 5e mei 1987, bevrijdingsdag, op aanbreken staat.

Maar bovenal: ik wilde de Stichting Kunstenaarsverzet en allen, die aan deze uitreiking en haar voorbereidselen hebben gewerkt, laten weten dat zij met deze prijs een levenshouding hebben bekroond, die keer op keer ter discussie is gesteld. Voor dat begrijpend gebaar spreek ik nogmaals mijn onverwelkbare erkentelijkheid uit.